Kan een regionale invalpool het onderwijs helpen?

Een docent valt langdurig uit. Zijn of haar lesuren moeten worden opgevangen, maar binnen de school is daar niet altijd ruimte voor. Collega’s kunnen tijdelijk bijspringen, maar dat houd je niet weken of maanden vol. Zeker niet als het een grote aanstelling betreft. Een externe invaller biedt dan uitkomst, maar daar hangt een prijskaartje aan. Kan het ook anders? Bijvoorbeeld door beschikbare docenten regionaal met elkaar te delen?

Die vraag ligt op tafel bij Onderwijsregio Hollands Noorden. De onderwijsregio onderzoekt of een regionale invalpool voor het voortgezet onderwijs een deel van de vervangingsvraag kan opvangen. Projectleider Maarten Post brengt in kaart hoe groot de behoefte in de regio is, welke mogelijkheden er zijn en wat ervoor nodig is om zo’n pool te laten werken. ‘Ik wil eerst weten hoe het probleem er in onze regio precies uitziet.’

Van externe inhuur naar regionale samenwerking
Bij langdurige uitval proberen scholen de lessen in eerste instantie binnen de eigen organisatie op te vangen. Dat lukt niet altijd. Zeker wanneer een docent een grote aanstelling heeft, kan het lastig zijn om alle lessen door collega’s te laten overnemen. Scholen maken daarom gebruik van PNIL -personeel niet in loondienst- via een uitzend- of detacheringsbureau.Uit de landelijke analyse die als onderdeel van de verkenning is uitgevoerd, blijkt dat er een aanzienlijk verschil kan zitten tussen de kosten van een leraar in loondienst en commerciële inhuur. In de onderzoeksgegevens wordt als voorbeeld een uurtarief van €58 genoemd voor een leraar in loondienst tegenover €113 voor commerciële inhuur bij een vergelijkbare kwalificatie. Het verschil maakt de vraag naar alternatieven relevant. Maar het gaat niet alleen om kosten. Ook de continuïteit en kwaliteit van het onderwijs, de binding met het schoolteam en de relatie tussen docent en leerlingen spelen mee.

Tegen die achtergrond is er ook landelijk beweging. De Tweede Kamer nam op 7 april 2026 de motie Moorman-Beckerman aan. Die vraagt de regering om afspraken te maken over het stapsgewijs afbouwen van commerciële inhuur en het versterken van publieke invalpools. De motie noemt schooljaar 2028-2029 als richtjaar waarin scholen grotendeels gebruik zouden moeten maken van publieke invalpools. De motie richt zich formeel op de regering en verplicht schoolbesturen niet rechtstreeks, maar maakt wel duidelijk dat het onderwerp nadrukkelijk op de landelijke agenda staat.

Eerst de eigen cijfers
Landelijke cijfers geven richting, maar vertellen nog niet hoe groot de vervangingsvraag in Hollands Noorden daadwerkelijk is. Daarom verlegt Maarten de blik naar de regio zelf. Hoe vaak vallen docenten uit? Waar wordt nu externe inhuur ingezet? Hoe ziet de formatie eruit en waar zitten de grootste knelpunten? ‘We zijn met de controller naar de eigen cijfers gaan kijken. Welke gegevens hebben we eigenlijk en wat kunnen die ons vertellen?’

Ook het soort vak speelt een rol. Nederlands, Engels en wiskunde springen eruit vanwege de bekende personeelstekorten. Maar Maarten kijkt breder. Want niet alleen een tekort aan docenten bepaalt de omvang van de vervangingsvraag. Ook het aantal lessen dat een vak op scholen vertegenwoordigt, telt mee. Een vak dat op veel scholen en in veel uren wordt gegeven, kan simpelweg meer vervanging vragen dan een kleiner vak. Daarmee komt de kern van de verkenning in beeld. Hoe groot is de vervangingsvraag in Hollands Noorden en zijn er voldoende docenten beschikbaar om die vraag gezamenlijk op te vangen? Dat moet uiteindelijk duidelijk maken of een regionale invalpool hier daadwerkelijk kans van slagen heeft.

Van bedrijfsleven naar onderwijs
Dat Maarten deze vraag nu onderzoekt, past bij de ontwikkeling die hij zelf heeft doorgemaakt. Hij werkte na zijn studie economie bij een verzekeringsmaatschappij, een bank en een landelijke krant. Daar hield hij zich onder meer bezig met management en marketing. Uiteindelijk maakte hij vanwege de behoefte om een grotere maatschappelijke bijdrage te leveren de overstap naar het onderwijs.Inmiddels werkt hij als onderwijsinnovator en onderwijsonderzoekscoördinator. Hij houdt zich bezig met onderwijsvernieuwing en onderzoek, onder meer naar gepersonaliseerd leren, kansrijk onderwijs en kansengelijkheid.’Ik vind het belangrijk dat we niet alleen op intuïtie afgaan, maar ook kijken wat onderzoek ons vertelt.’

Die onderzoekende houding neemt hij mee in de verkenning naar de invalpool. Het onderzoek bestaat uit drie sporen. Naast deskresearch en analyse van landelijke en regionale cijfers wordt gekeken naar bestaande invalpools. Ook vinden gesprekken plaats met schoolleiders, HR-professionals, flexwerkers en zzp-docenten. Zo moet niet alleen duidelijk worden hoeveel vervanging nodig is, maar ook wat docenten zelf nodig hebben om in een regionale pool te willen werken.

Leren van andere regio’s
Hollands Noorden hoeft het wiel daarbij niet volledig zelf uit te vinden. In andere onderwijsregio’s wordt al geëxperimenteerd met vormen van regionale samenwerking. Maarten sluit daarnaast aan bij een landelijke werkgroep over invalpools in het voortgezet onderwijs.Een van de constructies die hij onderzoekt, werkt met docenten die een deel van hun aanstelling beschikbaar stellen voor invalwerk. Een docent werkt bijvoorbeeld 0,6 fte op de eigen school en kan de overige 0,4 fte inzetten voor een regionale invalpool. Als er geen invalwerk is, kunnen voor die uren andere taken worden afgesproken.’Ik ben benieuwd hoe zo’n constructie in de praktijk werkt. Want ook praktische zaken bepalen of een pool kans van slagen heeft. Niet iedere docent zal voor een paar lesuren tientallen kilometers willen reizen. Tegelijkertijd kan een regionale pool juist interessant zijn voor docenten die meer uren willen werken, voor starters die ervaring willen opdoen en voor ervaren docenten die hun loopbaan geleidelijk afbouwen.’

Samenwerken vraagt vertrouwen
Daarmee komt een ander vraagstuk in beeld. Een regionale invalpool vraagt niet alleen om een goede organisatie, maar ook om vertrouwen tussen schoolbesturen. Een school heeft geïnvesteerd in de opleiding en ontwikkeling van een docent en kan het spannend vinden wanneer die docent vervolgens bij een andere school wordt ingezet.’Die zorg is legitiem. Maar we zullen elkaar binnen de regio ook minder als concurrenten moeten gaan zien.’In het onderzoek wordt daarom ook gekeken naar afspraken tussen besturen. In Midden-Nederland bestaat bijvoorbeeld een gentlemen’s agreement om niet actief aan elkaars docenten te trekken. Zulke afspraken kunnen helpen om samenwerking mogelijk te maken zonder dat scholen het gevoel krijgen dat ze hun eigen personeel uit handen geven.Voor Maarten is dat misschien wel een van de belangrijkste voorwaarden. Een invalpool is volgens hem meer dan een praktische oplossing voor een roosterprobleem.’Je moet uiteindelijk een hoger doel dienen dan alleen je eigen organisatie.’

Klein beginnen
De verkenning is nadrukkelijk geen implementatieplan. Het onderzoek moet het bestuur en de scholen van Onderwijsregio Hollands Noorden in staat stellen om een onderbouwde beslissing te nemen over de wenselijkheid en haalbaarheid van een regionale of bovenbestuurlijke invalpool. Het onderzoek wordt de komende periode verder gedeeld en besproken binnen Onderwijsregio Hollands Noorden. Mocht de regio besluiten verder te gaan, dan hoeft dat volgens Maarten niet meteen met een grote pool voor alle vakken en scholen. Een eerste stap kan bijvoorbeeld liggen bij de tekortvakken.  Zo kan de regio eerst ervaring opdoen. Hoe werkt de planning? Hoeveel docenten zijn daadwerkelijk beschikbaar? Hoe ver willen zij reizen? En lukt het om vraag en aanbod op het juiste moment bij elkaar te brengen?