Anjali en Simon Sneep kozen allebei voor het onderwijs. Zij laat zien wat zij-instroom voor de klas betekent, hij hoe ook ondersteunende professionals het verschil maken.
De overstap naar het onderwijs wordt vaak geassocieerd met een docent die vanuit een andere sector voor de klas gaat staan. Maar zij-instroom is breder dan dat. Ook buiten het klaslokaal kiezen professionals steeds vaker voor een loopbaan in het onderwijs. Simon en Anjali Sneep maakten allebei de overstap vanuit de zorg, ieder naar een andere rol. Anjali als docent Nederlands in het mbo, haar man Simon als hoofd bedrijfsvoering op een middelbare school. Hun ervaringen laten zien dat het onderwijs meer kansen biedt dan men in eerste instantie zou denken.
Van arbodienst naar het klaslokaal
Anjali Sneep werkte jarenlang als praktijkondersteuner van een bedrijfsarts bij een arbodienst. Inhoudelijk vond ze haar werk boeiend, maar gaandeweg begon er iets te knagen. ‘Ik wilde iets doen met meer maatschappelijke impact. In de arbodienstverlening help je mensen, maar het blijft ook een commerciële omgeving. Ik wilde graag werk doen waarvan ik het gevoel had dat ik echt iets bijdroeg aan mens en maatschappij.’ De stap naar het onderwijs kwam niet uit de lucht vallen. Taal en communicatie hadden altijd al haar belangstelling. Na het mbo koos ze daarom voor de hbo-opleiding Communicatie. ‘Daar was je veel bezig met taal en schrijven. Dat vond ik altijd leuk.’ Toen ze later over een carrière in het onderwijs nadacht, twijfelde ze nog tussen het primair onderwijs en het mbo. ‘Uiteindelijk sprak het beroepsonderwijs me meer aan. Studenten zijn zelfstandiger en je begeleidt ze op een andere manier dan jonge kinderen.’ Drie jaar geleden maakte Anjali als docent Nederlands bij Talland College in Koog aan de Zaan de overstap naar het onderwijs. Vanaf schooljaar 2026-2027 zet ze haar loopbaan voort bij Vonk.
Eerst ervaring opdoen, daarna verder studeren
Vrijwel direct nadat ze bij Talland begon, startte Anjali met het Pedagogisch Didactisch Getuigschrift (PDG), bedoeld voor professionals die vanuit een ander beroep het mbo instromen.’Ik wilde graag theorie combineren met de praktijk en het PDG is een laagdrempeliger stap dan een volledige bevoegdheid. Dit voelde voor mij als een logische eerste stap, want stel dat het onderwijs toch niet bij me zou passen.’ Het tegenovergestelde bleek waar. Het onderwijs beviel Anjali uitstekend en daarom begint ze binnenkort aan een verkort ZIB-traject om een tweedegraads bevoegdheid Nederlands te behalen. ‘Ik vind het onderwijs leuk en uitdagend. Dat maakt dat ik een toenemende behoefte heb aan meer theoretische kennis van de Nederlandse taal. Bovendien geeft een bevoegdheid meer mogelijkheden. Met een PDG kun je in het mbo en hbo werken, maar met een tweedegraads bevoegdheid houd je ook andere deuren open.’ Ze ziet bovendien dat de vraag naar vakinhoudelijk goed opgeleide docenten groeit. ‘Je merkt dat scholen steeds vaker zoeken naar docenten die ook theoretisch sterk onderlegd zijn. Zeker bij Nederlands is dat belangrijk. De taalvaardigheid staat onder druk en juist in het mbo zie ik hoeveel winst er nog te behalen valt. Veel studenten hebben soms anderhalf of twee jaar nauwelijks Nederlands gehad voordat ze bij ons komen. Dan kun je echt nog verschil maken.’
Alle ballen in de lucht
Het PDG rondde Anjali in anderhalf jaar af, terwijl daar officieel twee jaar voor staat. Dat vroeg wel om duidelijke afspraken thuis.’We hebben bewust afgesproken grote life events als verbouwingen uit te stellen. Het traject is goed te doen, maar het is wel intensief. Je bent iedere twee weken op school, hebt studiedagen en werkt aan flinke opdrachten waarin je de praktijk koppelt aan theorie.’Binnenkort begint een nieuw hoofdstuk met het ZIB-traject.’Dat wordt weer intensief. Gelukkig kan ik het verkorte traject volgen, maar met een dienstverband van zestien uur, een wekelijkse schooldag, veel zelfstudie en vijf dochters weet ik in ieder geval dat ik me de komende twee jaar niet hoef te vervelen.’
Met vijf dochters tussen de zes en dertien jaar is het thuis allesbehalve rustig.’Het grote voordeel is dat Simon en ik dezelfde vakanties hebben. Tijdens drukke schoolweken is het soms flink aanpoten, maar in de vakanties kunnen we echt samen opladen.’
Ook buiten de klas is het onderwijs een serieuze organisatie
Simon stapte zo’n drieënhalf jaar geleden over naar het onderwijs. Na functies in de bedrijfsvoering van twee zorgorganisaties werd hij hoofd bedrijfsvoering bij het Jan Arentsz. ‘Anders dan Anjali had ik niet per se de ambitie om in het onderwijs te gaan werken. Ik zag een interessante vacature voorbijkomen en tijdens de gesprekken merkte ik dat dit een mooie uitdaging was.’
Voor Onderwijsregio Hollands Noorden is Simons verhaal minstens zo relevant als dat van Anjali. Het laat zien dat ook voor ondersteunende functies de arbeidsmarkt groter is dan vaak wordt gedacht. ‘Het onderwijs is veel meer dan lesgeven. Een middelgrote school is óók gewoon een bedrijf. Een bedrijf met een begroting en omzet, met personeelsbeleid en ICT-vraagtukken, met huisvesting en meerjarenonderhoudsplannen. Het zijn complexe organisaties die aan hoge eisen moeten voldoen.’ Hij merkt dat mensen van buiten het onderwijs daar vaak een verkeerd beeld van hebben. ‘Veel mensen kijken nog vanuit hun eigen schooltijd naar het onderwijs. Maar dit zijn professionele organisaties waar je ontzettend veel kunt brengen én leren. We moeten niet doen alsof het minder complex is dan het bedrijfsleven. Dat is echt niet zo.’
Juist daarom ziet hij veel kansen voor zij-instromers in ondersteunende functies. ‘Een frisse blik helpt. Iemand die niet zijn hele loopbaan in het onderwijs heeft gewerkt, kijkt anders naar processen en afspraken. Dat kan heel waardevol zijn.’
Werken onder een vergrootglas
Zowel voor docenten als voor ondersteunende medewerkers geldt dat werken in het onderwijs bijzondere verantwoordelijkheden met zich meebrengt.’Het onderwijs ligt voortdurend onder een vergrootglas,’ zegt Simon. ‘Examenresultaten, personeelstekorten, financiën, overal wordt naar gekeken. Dat is gezien onze maatschappelijke verantwoordelijkheid en afhankelijkheid van publiek geld ook niet gek, maar dat maakt het werk zeker niet minder uitdagend.’
Anjali herkent dat, juist vanuit het perspectief van de docent. ‘Als docent heeft iedereen een mening over wat je doet. Zeker in je eerste jaar kan dat best onzeker maken. Je bent nieuw, je bent nog aan het leren en leerlingen proberen je uit. Dat doet iets met je zelfvertrouwen.’ Juist daarom heeft ze een duidelijke boodschap voor mensen die een overstap naar het onderwijs overwegen. ‘Laat de mening van anderen niet te zwaar wegen. In je eerste jaar ben je vooral aan het leren. Blijf daarom vasthouden aan de reden waarom je voor het onderwijs hebt gekozen. Neem feedback mee, maar laat je er niet door uit het veld slaan.’